Het was leuk om gras te zijn.
Hele dagen werden we heerlijk verwaaid,
gewiegd in de frisse wind, dat was fijn.
Jammer van die maaiers, hak, gemaaid.
Het was fijn om een konijn te zijn.
We genoten altijd van het prachtige weer,
ik voelde me groots, al was ik maar klein.
Jammer van het schieten, bam, neer.
Het was zalig om een vis te zijn.
Zwemmend door de frisse oceaan,
maakten we hele dagen gein.
Jammer van die vissers, netten, gedaan.
Het was grappig om een kip te zijn.
Allen tezamen in een knusse ren,
hoewel knus? Ook wat krapjes, nauwelijks rein.
Jammer van die slager, mes, the end.
Het was zalig om een hert te zijn.
vrijuit dravend door de natuur,
onbevangen, god, wat fijn.
Jammer van die bosbrand, gevangen, vuur.
Het was onbeschrijfelijk om een luipaard te zijn.
De term vrijheid werd door ons bedacht.
De kleurrijke jungle was ons vrije domein.
Jammer van die jagers, zinloos, nacht.
We zijn mensen nu, die tijden liggen achter ons.
Niet langer bang om opgejaagd te worden, geslacht.
Wij zijn de baas, wij hebben nu de macht.
Toch, is dat wel echt?
Of zijn we nog deel van dat wat ooit was?
